Werkgever moet de regels voor het vaststellen van vakantie wel goed toepassen, als hij zijn werknemer strikt wil houden aan de vastgestelde vakantie
Zo blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad, 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:596. 

Samengevat
Werkgeefster ontslaat werknemer op staande voet omdat hij niet op tijd terug is van vakantie. De Hoge Raad stelt dat relevant is voor de beoordeling van de aard en de ernst van de dringende reden of werkgeefster de verlofaanvraag van werknemer wel gedeeltelijk had mogen weigeren zoals deze werkgeefster had gedaan.

Feiten
Werknemer is productiemedewerker allround en is sinds begin 2008 in dienst bij werkgever. In mei 2017 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt door knieklachten. In juni 2018 heeft werknemer verlof aangevraagd voor 6 augustus t/m 30 augustus 2018. De verlofaanvraag van werknemer is geweigerd, hij kreeg toestemming voor verlof van 6 augustus t/m 19 augustus 2018. Op maandag 20 augustus 2018 was werknemer niet thuis. Werknemer heeft op 21 augustus 2018 in een e-mail aan werkgever gemeld dat hij op 16 augustus 2018 ziek is geworden ‘door eten’ en dat hij twintig dagen niet mocht reizen. Werkgever heeft als reactie hierop om een doktersverklaring gevraagd. Op 23 augustus 2018 heeft werknemer een doktersverklaring overgelegd en een foto van een ticket/reserveringsbevestiging van een vlucht naar Nederland. De Arboarts aan wie de doktersverklaring door de werkgever ter beoordeling is voorgelegd, stelt dat de verwachte duur van de klachten/beperkingen in geen enkele verhouding staat tot de gestelde diagnose. Werkgeefster heeft geconstateerd dat de gegevens van het overgelegde vliegticket/reserveringsbevestiging onjuist waren. Werknemer is bij brief van 27 augustus 2018 op staande voet ontslagen. Werknemer heeft zicht verzet tegen het ontslag.

Beoordeling
Zowel de kantonrechter als het hof hebben het ontslag op staande voet rechtsgeldig geoordeeld omdat de werknemer op 20 augustus 2020 terug had moeten zijn van vakantie. Werknemer was het daar niet mee eens en heeft de zaak aan de Hoge Raad voorgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of de werknemer gehouden was op 20 augustus 2018 op zijn huisadres aanwezig te zijn, terwijl dat een omstandigheid is die van belang is voor de beoordeling van de ernst van die afwezigheid. Bovendien had werknemer zich zowel bij de kantonrechter als bij het hof erop beroepen dat zijn werkgever het verlof niet had mogen weigeren. De Hoge Raad stelt dat het hof heeft miskend dat het antwoord op de vraag of werkgeefster het verlof had mogen weigeren, relevant is voor de beoordeling van de aard en de ernst van de afwezigheid van de werknemer op 20 augustus 2018 en dat het hof heeft verzuimd deze omstandigheid te betrekken in zijn oordeelsvorming of sprake is van een dringende reden. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof.

Bron: Hoge Raad, 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:596

Dit artikel is geschreven door Mijke van den Brand, advocaat arbeidsrecht bij BOLT Advocaten en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 4, 2021.