Werknemer heeft opeenvolgende werkgevers

In eerste aanleg heeft werknemer (appellant) geprocedeerd over het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft hem niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en heeft hem veroordeeld in de proceskosten. Werknemer is op 1 mei 2013 als logistiek medewerker in dienst getreden bij bedrijf1. Per 1 augustus 2013 is deze arbeidsovereenkomst overgegaan in een arbeidsovereenkomst met bedrijf2 als werkgever. Op enig later moment is bedrijf3 zijn werkgever geworden. Omstreeks september 2015 is aan werknemer een overeenkomst voorgelegd tot beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met bedrijf3 per 31 oktober 2015 om bedrijfseconomische redenen. Werknemer is ook na deze datum zijn gebruikelijke werkzaamheden blijven verrichten vanuit het bekende pand.

Ontslag op staande voet na een ziekmelding

Na een ziekmelding op 15 februari 2016 per WhatsApp-bericht is werknemer per brief van 16 februari 2016 op staande voet is ontslagen door bedrijf3 omdat hij geen contact heeft opgenomen en heeft geweigerd op het werk te verschijnen. Op 8 maart 2016 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat bedrijf3 is ontbonden met ingang van 15 februari 2016 omdat er per die datum geen bekende baten meer aanwezig zijn. De bestuurder is via bedrijf2 ook middellijk bestuurder en -aandeelhouder van verweerder. Verweerder had het bezoekadres waar werknemer werkte en had tot 17 september 2015 bedrijf1 als statutaire naam.

Werknemer moet zijn standpunt onderbouwen

Het hof constateert dat werknemer niet heeft gesteld en onderbouwd dat de verwerende partij door overgang van onderneming zijn nieuwe werkgever is geworden. Het hof heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om de verwerende partij aan te merken als de werkgever van werknemer. Het hof kan dan ook niet anders dan vaststellen dat werknemer de verkeerde rechtspersoon heeft aangesproken en de beschikking, waarvan beroep bekrachtigen.

Bron: Hof Arnhem – Leeuwarden, 6 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9944.

Dit artikel is geschreven door Mijke van den Brand, advocaat arbeidsrecht bij BOLT Advocaten en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 1, 2017.