In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2015 worden de voormalig bestuursvoorzitter van HDI-Gerling N.V. (HDI), diens echtgenote, een bevriend echtpaar en aan hen gelieerde bedrijven veroordeeld tot schadevergoedingen oplopend tot EUR 3,7 miljoen. De genoemde (rechts) personen zijn betrokken bij diverse transacties waarbij gebruik is gemaakt van middelen van HDI.

De rechtbank neemt bestuurdersaansprakelijkheid aan omdat de transacties zijn verricht zonder dat ten aanzien van betalingen schriftelijke afspraken zijn gemaakt en zonder dat daadwerkelijke zekerheden zijn bedongen. Of enig belang van HDI bij deze transacties was gediend, kan hierom in het midden blijven. De beschreven handelwijze kwalificeert als een onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 BW. De voormalig bestuursvoorzitter heeft met de beschreven handelwijze een – vanuit het perspectief van HDI – onaanvaardbaar risico genomen dat een geschil over de grondslag van de transacties ontstaat en/of dat de tegenprestatie niet kan en/of zal worden geleverd.

Disculpatie wegens (vermeende) wetenschap bij medebestuurders is niet aan de orde. Ook het vaker in situaties als deze gevoerde verweer dat de bestuurder zijn werk goed deed getuige een loonsverhoging en bonus, legt geen gewicht in de schaal.

Het bevriende echtpaar ontspringt de dans als het gaat om aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad. De rechtbank vindt dat het echtpaar wel twijfels mocht hebben over de rechtmatigheid van de door HDI gedane betalingen, maar HDI heeft onvoldoende gesteld en het was aan HDI om haar zaken op orde te hebben. Dit laatste argument is zwak, omdat het hier gaat om betalingen die de betreffende voormalig bestuurder HDI heeft doen verrichten. De afweging van de rechter zou hier beperkt moeten blijven tot de feitelijke omstandigheden die maakten dat het bevriende echtpaar erop af mocht gaan dat een en ander ook voor wat betreft HDI wel koek en ei zou zijn. Als bedacht wordt dat de betreffende transacties onder meer zagen op de aanschaf van een “Penthouse” en appartement in eenzelfde complex middels een soort ruilconstructie en een plezierjacht, lijkt het dat het bevriend echtpaar niet eenvoudig met twijfels weg mag komen. Kennelijk heeft men hiervoor een verklaring weten te geven, maar welke wordt uit de uitspraak niet duidelijk.